Het Boek

Het Boek

Een Cursus in Wonderen is van begin tot einde opgezet als een leerproces. Het bestaat uit drie boeken: een tekstboek van 689 pagina’s, een werkboek in 2 delen van samen 491 pagina’s en een handboek voor leraren met verklaring van termen van 94 pagina’s. De volgorde waarin en de wijze waarop men de boeken besluit te gebruiken en te bestuderen is afhankelijk van ieders behoefte en voorkeur. De leerstof die de cursus aanbiedt is zorgvuldig samengesteld en wordt stap voor stap uitgelegd, zowel op theoretisch als op praktisch niveau. Hij legt de nadruk op toepassing in plaats van theorie en op ervaring in plaats van theologie. Hij stelt uitdrukkelijk: ‘een universele theologie is onmogelijk, maar een universele ervaring is niet alleen mogelijk, maar zelfs noodzakelijk’.

 

Hoewel in Christelijke formulering, behandelt de cursus universele spirituele thema’s. Hij beklemtoont dat hij slechts één versie van de universele leerweg is. Er zijn vele anderen, en deze verschilt daarvan alleen in vorm. Zij leiden uiteindelijk allemaal tot God.

 

Het tekstboek is grotendeels theoretisch van aard en zet de concepten uiteen waarop het denksysteem van de cursus is gebaseerd.

Deze ideeën bevatten de grondslag voor de lessen van het werkboek. Zonder praktische toepassing waarin het werkboek voorziet zou

de tekst grotendeels een reeks abstracties blijven die allerminst toereikend zou zijn om de omkeer in het denken te bewerkstelligen die

de cursus beoogt.

Het werkboek bevat 365 lessen, een voor elke dag van het jaar. Het is echter niet noodzakelijk de lessen in dat tempo te doen en het

kan zijn dat men bij een bijzondere aansprekende les langer dan één dag wil blijven stilstaan. De instructies dringen er slechts op aan

niet te proberen meer dan één les per dag te doen. De praktische aard van het werkboek wordt onderstreept door de inleiding bij de

lessen, waarin de nadruk wordt gelegd op ervaring via toepassing, en niet op een verbintenis met een spiritueel doel.

 

Het handboek voor leraren tenslotte, dat in een vraag- en-antwoordvorm geschreven is, geeft antwoord op enkele van de meest voor

de hand liggende vragen die een student zou kunnen stellen. Het bevat tevens een verklaring van een aantal termen die de cursus

gebruikt en legt die uit binnen het theoretisch raamwerk van het tekstboek.

 

De cursus pretendeert niet ultiem te zijn en evenmin zijn de werkboeklessen bedoeld om de leerweg van de student tot een voleinding te brengen. Aan het einde wordt de lezer overgelaten aan de zorg van zijn of haar Innerlijke Leraar, die heel het verdere leerproces zal leiden zoals Hij het juist acht. Hoewel de cursus veelomvattend is kan de waarheid niet tot een eindige vorm worden beperkt, zoals uit de vaststelling aan het eind van het Werkboek duidelijk is af te leiden:

 

Deze cursus is een begin, niet een einde. [...] Er worden geen specifieke lessen meer gegeven, want die zijn niet langer nodig. Hoor dus van nu af aan louter de Stem namens God [...]. Hij zal jouw inspanningen richting geven en je precies vertellen wat je moet doen, hoe jij je denkgeest dient te richten en wanneer je in stilte tot Hem moet komen om Zijn onfeilbare leiding en Zijn betrouwbaar Woord te vragen.

 

 

Waar de Cursus in Wonderen over gaat.

 

Niets werkelijks kan bedreigd worden.

Niets onwerkelijks bestaat.

Hierin ligt de vrede van God.

 

Zo begint Een Cursus in Wonderen. Hij maakt een fundamenteel onderscheid tussen het werkelijke en het onwerkelijke, tussen kennis en waarneming. Kennis is waarheid, opererend onder één wet, de wet van de liefde of van God. De waarheid is onveranderlijk, eeuwig en eenduidig. Ze kan onopgemerkt blijven, maar ze kan niet worden veranderd. Ze geldt voor alles wat God geschapen heeft, en alleen wat Hij geschapen heeft is werkelijk. Ze gaat wat geleerd kan worden te boven, want ze ligt buiten het bereik van tijd en processen. Ze heeft geen tegendeel, geen begin en geen einde. Ze is eenvoudig.

 

De wereld der waarneming daarentegen is de wereld van tijd, van verandering, van begin en einde. Ze is op interpretatie, niet op feiten gebaseerd. Het is een wereld van geboorte en dood, gegrondvest op het geloof in schaarste, verlies, afscheiding en dood. Ze werd aangeleerd in plaats van gegeven, ze is selectief en fragmentarisch in haar waarneming, instabiel in haar functioneren en onnauwkeurig in haar interpretaties.

Vanuit kennis en waarneming ontstaan respectievelijk twee onderscheiden denksystemen die in elk opzicht tegengesteld zijn. In het domein van kennis bestaan er geen gedachten los van God, omdat God en zijn schepping één Wil met elkaar delen. De wereld der waarneming echter is gemaakt door het geloof in tegenstellingen en afzonderlijke willen, eeuwig in conflict met elkaar en met God. Wat waarneming ziet en hoort lijkt werkelijkheid te zijn, omdat ze alleen tot het bewustzijn toelaat wat overeenkomt met de wensen van de waarnemer. Dit leidt tot een wereld van illusies, een wereld die onophoudelijk verdedigd moet worden omdat ze niet werkelijk is.

Wanneer je gevangen bent in de wereld der waarneming ben je in een droom gevangen. Zonder hulp kun je niet ontsnappen, want alles wat je zintuigen je tonen getuigt slechts van de werkelijkheid van de droom. God heeft het Antwoord, de enige Uitweg, de ware Helper verschaft. Het is de functie van Zijn Stem, Zijn Heilige Geest om te middelen tussen de twee werelden. Hij kan dat, omdat Hij aan de ene kant de waarheid kent en aan de andere kant ook onze illusies herkent, maar zonder daarin te geloven. Het is het doel van de Heilige Geest ons te helpen ontsnappen uit de droomwereld door ons te leren ons denken om te keren en onze vergissingen af te leren. Vergeving is het grote leermiddel dat de Heilige Geest gebruikt om deze omkeer in het denken tot stand te brengen. De Cursus heeft echter zijn eigen definitie van wat vergeving werkelijk is, precies zoals hij de wereld op zijn eigen wijze definieert.

De wereld die wij zien weerspiegelt slechts ons eigen innerlijk referentiekader - de ideeën, wensen en emoties die de overhand hebben in onze geest. ‘Projectie maakt waarneming’ (T13.V.3:5; T21.In.1:1). Eerst kijken we naar binnen, besluiten welke wereld we willen zien en vervolgens projecteren we die wereld naar buiten, en maken haar tot de waarheid zoals wij die zien. We maken die waar door onze interpretaties van wat we zien. Als we waarneming gebruiken om onze eigen vergissingen te rechtvaardigen - onze woede, onze neiging tot aanvallen, ons gebrek aan liefde in welke vorm ook -, dan zien we een wereld van slechtheid, verwoesting, kwaadaardigheid, afgunst en wanhoop. Dat alles moeten we leren vergeven, niet omdat we ‘lief en aardig’ zijn, maar omdat niet waar is wat we zien. We hebben de wereld door onze verwrongen verdedigingsmechanismen vervormd en zien daarom wat er niet is. Naarmate we leren onze waarnemingsfouten te herkennen, leren we ook eraan voorbij te zien of te ‘vergeven’. Op hetzelfde moment vergeven we onszelf, en kijken we voorbij ons verwrongen zelfbeeld naar het Zelf dat God in ons en als ons geschapen heeft.

Zonde wordt gedefinieerd als ‘het ontbreken van liefde’ (T1.IV.3:1). Aangezien liefde het enige is wat bestaat, is zonde in de visie van de Heilige Geest een vergissing die moet worden gecorrigeerd, in plaats van een kwaad dat moet worden bestraft. Ons gevoel van ontoereikendheid, zwakte en onvolledigheid komt voort uit een grote investering in het schaarsteprincipe dat de hele wereld van illusies regeert. Vanuit dit gezichtspunt zoeken we in anderen wat we menen zelf te missen. We houden van’ een ander teneinde zelf iets te krijgen. In feite is dat het wat in de droomwereld voor liefde doorgaat. Een grotere vergissing is niet mogelijk, want liefde is niet in staat ergens om te vragen.

Alleen in de geest kan men zich werkelijk verenigen en wie God verbonden heeft kan geen mens scheiden (T17.III.7:3). Ware eenheid is echter alleen op het niveau van de Christusgeest mogelijk en is feitelijk nooit verloren gegaan. Het ‘kleine ik’ streeft ernaar zichzelf te vergroten door uiterlijke goedkeuring, uiterlijke bezittingen en uiterlijke ‘liefde’. Het Zelf dat God geschapen heeft, heeft niets nodig. Het is voor eeuwig compleet, veilig en bemind en heeft eeuwig lief. Het kent geen behoeften en wil zich met anderen verbinden vanuit een wederzijds bewustzijn van overvloed.

De speciale relaties van de wereld zijn destructief, zelfzuchtig en kinderlijk egocentrisch. Desondanks kunnen deze relaties, als ze aan de Heilige Geest worden gegeven, tot het heiligste ter wereld worden: de wonderen die de weg voor de terugkeer naar de Hemel wijzen. De wereld gebruikt haar speciale relaties als een beslissend wapen van uitsluiting en als demonstratie van afgescheidenheid. De Heilige Geest vormt ze om tot volmaakte lessen in vergeving en in ontwaken uit de droom. Elke les is een gelegenheid om waarnemingen te laten genezen en vergissingen te laten corrigeren. Elke les is een nieuwe kans om jezelf te vergeven door een ander te vergeven. En elke les wordt een nieuwe uitnodiging aan de Heilige Geest en de herinnering van God.

Waarneming is een functie van het lichaam en vertegenwoordigt daarom een begrenzing van het bewustzijn. Waarneming ziet met de ogen van het lichaam en hoort met de oren van het lichaam. Ze roept de beperkte reacties op die het lichaam produceert. Het lichaam lijkt in hoge mate zelfsturend en onafhankelijk, maar in feite reageert het alleen op de intenties van de geest. Als de geest het lichaam wil gebruiken voor enige vorm van aanval, valt het lichaam ten prooi aan ziekte, ouderdom en verval. Als de geest daarentegen de bedoeling die de Heilige Geest ermee heeft, aanvaardt, wordt het een nuttig middel om met anderen te communiceren, onkwetsbaar zolang het nodig is, en zachtjes terzijde gelegd wanneer het niet langer van nut is. Op zichzelf is het neutraal, zoals alles in de wereld der waarneming. Of het benut wordt voor de doelen van het ego of die van de Heilige Geest hangt totaal af van wat de geest wil.

Het tegendeel van zien met de ogen van het lichaam is de visie van Christus, die kracht weerspiegelt in plaats van zwakte, eenheid in plaats van afgescheidenheid, en liefde in plaats van angst. Het tegendeel van horen met de oren van het lichaam is communicatie via de Stem namens God, de Heilige Geest, die in ieder van ons woont. Zijn Stem lijkt veraf en moeilijk te verstaan, omdat het ego, dat spreekt voor het kleine, afgescheiden zelf, veel luider lijkt. In feite is dit omgekeerd. De Heilige Geest spreekt met onmiskenbare helderheid en overweldigende zeggingskracht. Iemand die er niet voor kiest zich met het lichaam te vereenzelvigen, kan onmogelijk doof zijn voor Zijn boodschap van bevrijding en hoop, noch kan hij verzuimen vol vreugde de visie van Christus te aanvaarden in blije ruil voor zijn ellendige beeld van zichzelf.

De visie van Christus is de gave van de Heilige Geest, ze is Gods alternatief voor de illusie van afscheiding en het geloof in de werkelijkheid van zonde, angst en dood. Ze is de ene correctie voor alle fouten in de waarneming, de vereniging van de schijnbare tegenstellingen waarop deze wereld is gebaseerd. Haar milde licht laat alles vanuit een ander gezichtspunt zien, het weerspiegelt het denksysteem dat uit kennis voortkomt en maakt de terugkeer tot God niet alleen mogelijk, maar onvermijdelijk. Wat gezien werd als onrecht dat iemand door een ander werd aangedaan, wordt nu een roep om hulp en eenheid. Zonde, ziekte en aanval worden als onjuiste waarnemingen gezien die roepen om een remedie door middel van vriendelijkheid en liefde. Verdedigingsmechanismen worden afgelegd, want waar er geen aanval is, is er geen behoefte aan. De behoeften van onze broeders worden de onze, omdat zij samen met ons de reis ondernemen op weg naar God. Zonder ons zouden zij de weg kwijtraken. Zonder hen zouden wij de onze nooit kunnen vinden.

Vergeving is onbekend in de Hemel, waar de noodzaak ertoe ondenkbaar is. In deze wereld echter is vergeving een noodzakelijke correctie voor alle vergissingen die we hebben gemaakt. Vergeving schenken is voor ons de enige manier om die te krijgen, want het weerspiegelt de wet van de Hemel dat geven en ontvangen hetzelfde zijn. De Hemel is de natuurlijke staat van alle Zonen van God zoals Hij hen geschapen heeft. Dat is hun werkelijkheid in alle eeuwigheid. Ze is niet veranderd doordat ze werd vergeten.

Vergeving is het middel waardoor we ons weer zullen herinneren. Door vergeving wordt het denken van de wereld omgekeerd. De vergeven wereld wordt tot Hemelpoort omdat we door haar barmhartigheid eindelijk onszelf vergeven kunnen. Nu we niemand als gevangene van schuld vasthouden, worden wij bevrijd. Door Christus in al onze broeders te erkennen, herkennen we Zijn aanwezigheid in onszelf. Door al onze onjuiste waarnemingen te vergeten, en met niets uit het verleden dat ons tegenhoudt, kunnen we ons God herinneren. Verder dan dit kan leren niet gaan. Wanneer we klaar zijn zal God zelf de laatste stap zetten in onze terugkeer naar Hem.

 

(voorwoord uit "Een Cursus in Wonderen", Ankh Hermes - 1982)